Beste Wiel,
Ik heb met veel plezier vastgesteld
dat Hub ten zeerste literaire inspiratie heeft opgedaan in Yerseke, en dat nog
wel in ons gezelschap. Allicht hebben de schier onbeperkte mosselen ook een rol
gespeeld.
Dank zij Hub kunnen wij nu aan de
slag. Zo is er bij jullie een plaats die Schiermonnikoog heet. De vraag dringt
zich meteen op : gaat het hier om een oog toebehorend aan iemand die bijna
monnik is , of om een monnik die bijna een oog heeft ?
Wij voelen duidelijk aan dat
"schier " een eerder oud woord is. Daarom leek het mij aangewezen om
de betekenis ervan eens na te kijken in een uitgave van ons aller van Dale van
het jaar 1924, schier een eeuw oud en dus zeer gedegen. Wat leren wij daar
over de betekenissen van het woord ?
1 [ gewestelijk] : wild, onbesuisd
2 [ oudtijds ] : snel, gauw ,
spoedig
3 bijna , ongeveer
Oudtijds bestond Zuid-Beveland
uiteraard ook al, maar toen vond men blijkbaar dat het al snel, gauw of spoedig
een eiland zou worden. En als het gewest ook nog klopte, ook een onbesuisd
eiland.
Maar bij Van Dale tref je ook nog
een reeks andere betekenissen van "schier "aan , zij het dan
"gewestelijke " :
- wit
- grijs, grauw
- zindelijk, keurig , net, helder
- onvermengd, zuiver
- schraal
- vuil, bedorven
en als toemaatje : schiere eieren
waren onbevruchte eieren.
Moraal van dit verhaal : vroeger kon
je voor schier alle begrippen schier als adjectief of bijwoord gebruiken : net
of vuil , wit of grauw, het was altijd goed.
En om het af te ronden : een
schieraal is geen paling die schier een paling is, maar " de beste paling
met zwarte rug en helderwitte buik ". En daarmee kunnen wij dan terug naar
het visrestaurant in Yerseke waar alles begon.
Met schier onbeperkte groeten aan
allen die dit lezen,
Hugo
P.S. Wiel , het lukt mij niet kopie
door te sturen aan Hub. Doe jij dat ?
Bij dezen dus, Hugo